zondag 17 januari 2016

Afgescheiden van de BRON November 2011/ Marcel Messing Geplaatst 17 januari 2016

Afgescheiden van de BRON
November 2011/ Marcel Messing
Geplaatst  17 januari 2016

Rondom de waterput, vlak bij de openbare wasplaats, waren de mensen bijeengekomen. Vol aandacht luisterden ze naar de meester. Zijn woorden waren als levend water dat stroomde uit de bron van eeuwige jeugd. Ze verfristen de geest der toehoorders. Onder hen bevond zich een man die al jaren neerslachtig was, opgesloten in zichzelf, eenzaam, log van tong, niet meer tot spreken in staat.

Een jaar geleden was zijn vrouw bij hem weggegaan, niet langer bestand tegen de zware sfeer, die als een ongenode gast ieder vertrek van hun huis in beslag genomen had. Ook zijn kinderen hadden hem de rug toegekeerd. lederen kende hem. 'Omuerte,' fluisterde men, 'de dode', omdat hij een levende dode was en de spraak gestorven was tussen zijn lippen. De eb van zijn laatste woorden was al lange tijd uitgedroogd aan de vloedlijn van zijn leven. Hij voorzag in zijn levensonderhoud door eenvoudige handenarbeid. Er was altijd wel iemand die iets van hem kocht. Uit medelijden of omdat er iets tussen zat wat bruikbaar was.

Toen de meester zweeg en het geluid van water, dat zachtjes over de rand van de wasplaats door een zinken gootje wegvloeide, op straat te horen was, begon Omuerte tot verrassing van eenieder plotse­ling te spreken: 'Meester, opgesloten en eenzaam voel ik mij, als een afgescheurde tak van de rode beuk in mijn tuin. Alsof de bron van het leven in mij is opgedroogd. Vertel mij, meester, over afge­scheidenheid en de bron van het leven, want de wereld is uit mij weggestroomd en liet een bittere leegte achter.'

De meester vroeg een vrouw die bij de put stond om hem water te geven. Vol liefde keek hij Omuerte aan, schouwde tot in het verdorde land­schap van zijn gepijnigde ziel. Toen de vrouw de meester een emmer met water aanreikte, schepte hij er met beide handen wat uit en goot het lang­zaam over het hoofd van Omuerte, die in een hart­verscheurend huilen uitbarstte. Tranen vulden de ogen van de mensen die rondom hen stonden.

Zandbank van je geest
'Als door stormwind een tak is losgescheurd van een rode beuk, zal de tak spoedig verdorren. Zonder levensstroom in een boom kunnen takken niet groeien, is er geen wasdom, sterven ontelbare bladeren, verdort het hout. Eens, Omuerte, stak er in jouw leven een stormwind op, maar je herinnert je dat niet meer, want je leven is stilstaand water geworden. De rivier des levens in je is bijna uitge­droogd en er is nauwelijks nog water dat kan uit­stromen in de oceaan van leven. Lang geleden stroomde de rivier des levens door de open bed­ding van je leven, verdween soms tussen rotssple­ten onder de grond, kwam elders weer boven om verder te stromen, totdat ze wegzonk in de zand­bank van je geest.

Kijk naar de rivier daarginds, waar het wegsijpe­lende water van deze wasplaats in uitstroomt. Er liggen grote keien in, en boomstammen waartegen het slib van de rivier zich heeft opgehoopt. Sommige steken boven het water uit, andere liggen eronder verscholen. Het water stroomt erlangs of eroverheen en slijt een stil verhaal in het geheugen van de tijd. Ook in de stroom van jouw levens kwa­men keien en boomstammen tezamen. Onwetend wierp je ze er zelf in, een voor een, jaar op jaar.

Keien gestold leven en boomstammen zonder wor­tels, waartegen het slib van je daden zich ophoopte - hindernissen in je geest. Het levenswater in je bleef stromen, maar zonk steeds verder weg in je verzande geest. Je hart slibde dicht, verhardde tot in zijn kern. Heimwee verspreidde zich als wier aan het oppervlak van stilstaand water, totdat je huid verstikte. Dode vingers reikten tevergeefs naar de nachtelijke hemel, waaraan al je sterren van hoop waren uitgedoofd. Je geest sloot zich als een waterlelie in de nacht en eenzaamheid trok je naar een bodemloze diepte, ontnam stap voor stap je spraak, gaf je het gevoel afgescheiden te zijn van je innerlijke bron. Een treurwilg werd je aan de rand van vertroebeld water dat je zelf bijeen had gehuild. Maar nimmer ben je afgescheiden van de bron. Afgescheidenheid bestaat alleen in de geslo­ten wereld van dode namen.

Afgescheidenheid is een gevoel, een idee
Al is de ijsberg in de zee bevroren water, het is water. Of je een beeldje van klei mooi of lelijk vindt, het blijft klei. Welke naam je ook geeft aan de ontel­bare levensvormen, ze zijn alle bezield door dezelf­de levensadem. Je bent het levend water waarin alle leven is. Verlangt de vis in het water naar water? De vogel in de lucht naar lucht? Fijn zilver­zand glipt weg tussen de vingers, valt op de aarde als de hand zich sluit tot een vuist, maar blijft lig­gen in de palm van de hand die zich opent naar de hemel. De rietstengel in stilstaand water lijkt gebroken. Als je eenzaam bent, uitgeput, een leven­de dode en als heimwee je kwelt, ben je vergeten dat jouw levensstroom ernaar verhangt om te ver­drinken in de oceaan van leven, dat je water in water bent, druppel waarin het ebben en vloeden van heel de zee aanwezig zijn. Een eeuwige lente roept je, maar het vriest in jou. De nachtegaal van de ziel zingt voor je raam, maar jij ziet de klauwen van de gier des doods. De rode beuk groeit gewoon door, maar jij kijkt naar de afgerukte tak, sluit de levensstroom af. Je hoort de lach van een kind, maar achter je ogen woont de dood. Onwetend trok je een rouwsluier voor je ogen, zag alleen maar gestorven levensvormen, ging wonen in het huis der eenzaamheid.

Het water van liefde
Diep in je wezen is er altijd water, zoals in de waterput. Het touw waaraan de emmer zich bevindt is de levensdraad die je weer op moet pak­ken. De lege emmer is de leegte in je ziel. Als je ont­vankelijk wordt als een vrouw, kun je die leegte vullen met levend water uit de bron. Niet een plengoffer aan onwetende goden voert je tot de bron van het leven, noch smeekgebeden of rituelen, en zeker niet je dodelijke zwijgen, dat een grafkel­der werd waarin je het levend woord begroef. Alleen door een ommekeer in je hart kun je alle oevers van het leven weer betreden, lopen over de golven van het water van verandering, door muren van vervreemding heengaan, gedachten van anderen lezen als drijvende wolken aan de onmetelijke hemel. Leven stroomt dan weer door je heen. De hindernissen zijn verdwenen.'


De meester reikte Omuerte een beker water aan. Dankbare handen namen hem aan. Ogen herwon­nen hun glans toen het water als een zegening zijn lippen en gehemelte streelde. Keien, slib en boom­stammen losten op in zijn geest. Voor het eerst sinds jaren voelde Omuerte het water van liefde weer in zich stromen. Taaie watervliezen van verle­den braken, gaven geboorte aan een zonnekind, nat van gouden licht. Ontroerd boog Omuerte zich naar de aarde, raakte de blote voeten aan van de meester, die hem overeind hielp en zei: 'Vriend, tussen jou en mij is geen enkele kei, geen slib of boomstam, slechts levend water. Drink het iedere dag in dankbaarheid en het verleden wordt geheeld in de bron van het eeuwige nu. Was je stof­kleed in de wasplaats van de geest en keer terug naar het thuisland van je eeuwige vader en moe­der.'

Zacht sijpelde het water van de openbare was­plaats over de rand, stroomde uit in het nabijgele­gen riviertje, op weg naar de oceaan van alle leven.

Uit: De meester van de eindtijd – Marcel Messing