Zodra je jezelf aan de kant van de meerderheid ziet staan, wordt het de hoogste tijd om een pauze in te lassen en hierover na te gaan denken. De kans is namelijk zeer klein dat je daar de waarheid zult vinden.”

Mahatma Ghandi.


donderdag 23 januari 2014

Leylijnen 2: Wat zijn Leycentra? Een ode. Geplaatst: 23 januari 2014

Leylijnen 2
Naam: Knuthuus
Wat zijn Leycentra?
Een ode.
Geplaatst: 23 januari 2014

Om te beginnen wil ik graag vermelden dat dit onderdeel van Knuthuus een ode is aan, en een samenvatting is van het werk van historicus en radiësthesist* W. Tsj. Vleer, wiens boek ""Leylijnen en Leycentra in de Lage Landen"" (uitgeverij Ank-Hermes, Deventer, isbn: 90-202-1109-9) uniek is in zijn soort, en het enige populaire werk over dit onderwerp dat ik in de openbare bibliotheken heb kunnen vinden. Meer dan 200 centra in Nederland en Belgie zijn met de wichelroede opgespoord en verkend. Paragnost en regressietherapeut Dick van der Dool verleende aan dit onderzoek zijn medewerking.

Op deze pagina's van Knuthuus zijn slechts de krachtplaatsen in Nederland behandeld, en zowel de Belgische lezer, als ook de Nederlandse lezer die geïnteresseerd is in de uitgebreide achtergrondinformatie over de beschreven locaties, nodig ik uit een exemplaar van het bovengenoemde boek aan te schaffen. 


* Radiësthesist: een deskundige in het opsporen van stralingsenergieën d.m.v. de wichelroede.

Het begin van het lijnenonderzoek.

Reeds in het Engeland van het midden van de vorige eeuw werd de aandacht van onderzoekers getrokken door de constatering dat vele prehistorische bouwwerken door rechte lijnen met elkaar verbonden konden worden.

Ds Edward Duke bracht in 1846 zijn boek ""The Druidical Temples of Wilts"" uit, waarin hij een mysterieuze noord-zuid lijn beschreef, met daarop gebouwd: de steenkring Winterbourne Bassett - Avebury - Silbury Hill - Walker's Hill - Casterley Camp - Stonehenge. Duke dacht toen nog aan een astronomische betekenis van dergelijke lijnen.

In 1870 gaf William Henry Black een lezing te Hereford over zijn onderzoekingen. Hij had daar 20 jaar aan gewerkt, en overal in Europa, maar ook in India en China geheimzinnige lijnen gevonden, waarop prehistorische monumenten, maar ook kerken en kastelen stonden. Hij was er zeker van het grote geheim van de 'ouden' te hebben herontdekt. Helaas waren zijn toehoorders, waaronder vele wetenschapslieden niet overtuigd van zijn beweringen, en verloor Black het respect dat hij tot dan toe genoot.

Ook rijksastronoom Sir Norman Lockeyer verspeelde zijn achtenswaardigheid door in het begin van de negentiende eeuw zich met het fenomeen bezig te houden. Hij liet zich hierdoor echter niet uit het veld slaan, en zette zijn werk voort, dat pas in 1983 postuum werd uitgegeven.

Alfred Watkins was rond het begin van de negentiende eeuw een geacht burger van het stadje Hereford, waar hij bierbrouwer was, en tevens uitvinder en fabrikant van de fotografische belichtingsmeter. Hij bracht het tot rechter en werd lid van de graafschapsraad; een man van aanzien!

Dat hij over helderziende gaven beschikte, en zich, bekend met het werk van Lockeyer en vermoedelijk ook Black, bezighield met het lijnenfenomeen, hield hij echter voor zichzelf tot hij het in 1921 op zesenzestigjarige leeftijd waagde zijn geheimen te onthullen. De aanleiding hiertoe was een visioen dat hij kreeg waarin hij van boven de aarde onzichtbare monumenten zag, en een landschap met een netwerk van lijnen over heuveltoppen, kastelen, grafheuvels, bronnen, heilige plaatsen enzovoorts.

Hij trok hieruit de conclusie dat de prehistorische mensen overal rechte wegen en paden hadden aangelegd om zich snel te kunnen verplaatsen. Verontwaardiging en spot werden ook zijn deel. Toch zette hij zijn werk voort, en middels kansberekening toonde hij aan dat toeval uitgesloten was. Ondanks dat hij door de wetenschap niet serieus genomen werd, ontstond naar aanleiding van zijn werk de ""rechte-paden-club"" en overal in Engeland gingen de belangstellenden op pad om het fenomeen te onderzoeken.

Op het moment dat Watkins zich voorbereidde op het openbaar maken van zijn kennis, waren in Duitsland dr. Herbert Röhrig en ds. Wilhelm Teudt, onafhankelijk van elkaar, actief in het lijnenonderzoek. In 1930 publiceerde laatstgenoemde zijn boek ""Germanische Heiligtümer"". Het boek werd een soort ""Germanenbibel"" van de Nazi's, waardoor er tot vele jaren na de oorlog geen onderzoek inzake leylijnen meer heeft plaatsgevonden.

Het onderzoek na 1945.

Bekende lijnenonderzoekers van na de oorlog zijn John Michell, prof. dr. Gerald Hawkins, prof. dr. Sir Fred. Hoyle en Francis Hitching. De algemene denktrend betrof toen nog immer het thema dat de lijnen correspondeerden met de hemellichamen.

In 1979 publiceerde prof. dr. Jim Lovelock van de universiteit van Oxford zijn boek over 'Gaia'. Hij kwam daarin tot de conclusie dat onze planeet bezield moet zijn, vanwege het zelfherstellende vermogen van de aarde.

Door zijn boek is er meer aandacht gekomen voor de opvatting die in China al lang algemeen is. Men gelooft hier in 'de geest van de aarde'. Het is in hun ogen de schakel tussen hemel en aarde.

Ze zien de aarde als een levend wezen, vol van energie. Deze energie zoekt een uitweg in een soort kanalen aan het aardoppervlak. Zowel de kanalen als de energie zijn etherisch en onzichtbaar voor niet ingewijde mensen. De Chinees vergelijkt deze aardse energiebanen met de meridianen in het menselijk lichaam, waar de wetenschap van de acupunctuur op gebaseerd is.

Het onderzoek in Nederland.

Ook in Nederland en België blijken veel kerken op deze geheimzinnige lijnen te staan. Kerken van na 1350 zijn maar zelden op leylijnen of leycentra gebouwd. Over dit onderwerp is in Nederland , voor zover de schrijver bekend, niet eerder geschreven. De kerklijnen kregen pas in de zomer van 1969 de interesse van Wichold Vleer, toen hij bij toeval ontdekte dat de kerken van Oosterwold, Lettelbert en Tolbert op een lijn staan. Verder onderzoek gaf aan dat dit in het Groninger Westerkwartier eerder regel als uitzondering is.

De voormalige abdij van Aduard bleek een knooppunt van veertien lijnen te zijn. Bij later onderzoek kwam dit aantal uit op achtentwintig. Kerkhistorici en archeologen bepaalden zich tot 'toeval' en de reacties van de amateurarcheologen bleven achterwege.

Ook zijn er plaatsen waar veel kerklijnen samenkomen, maar waar geen kerken gebouwd zijn, zoals bijvoorbeeld de Bisschopsberg, de Toverberg, het hunebed van Loon, de Vikingburchten in Zeeland en het grote wonder: de terp bij Wijnaldum met vijfenzeventig kerklijnen.

Hoe werd de plaats voor een kerk bepaald?

In de literatuur betreffende de middeleeuwse kerkenbouw vinden we zes aanwijzingen voor het bepalen van de plek waarop het godshuis moest verrijzen:

  • in oude Romeinse nederzettingen; 
  • waar oude 'heidense' heiligdommen stonden; 
  • waar twee ossen na een wandeling gingen liggen; 
  • waar lichtverschijnselen werden waargenomen; 
  • een plek die door een wichelroedeloper werd aangewezen; 
  • in het centrum van voormalige Vikingkampen. 

Krachten in leylijnen en -centra .

Spiraalvorming op het knooppunt.

Wat gebeurt er met de energie op een centrum? Om dat te kunnen begrijpen moeten we ons realiseren dat de etherische energie met een enorme snelheid door de leylijnen gaat. Algemeen wordt daarbij aangenomen dat deze lijnen kaarsrecht zijn. De oorzaak hiervan is dat de etherische energie zich met een onmeetbare snelheid voortbeweegt, terwijl de lijn over hoogten en laagten, maar ook langs zijwaartse onregelmatigheden gaat.

Uit de verschillende leylijnen verenigt de energie zich op de kern van een knooppunt. Bij een gewoon kruispunt van lijnen is vaak weinig waar te nemen. Wel is dit het geval wanneer een groter aantal lijnen op de kern uitkomt.

Is er dan een verticaal lopende waterader aanwezig, dan schijnt deze de energie omhoog te sturen. De opeengehoopte energie verspreidt zich in een spiraalvorm. Bij het ontbreken van een waterader vloeit de energie in spiraalvorm over de bodem in een vorm van 'uitstraling' van tien tot vijfhonderd meter van de kern. Blijkbaar is het de waterader die de energie een weg doet zoeken naar omhoog.

Komt de energie in een gebouw, dan wordt een uitweg gezocht langs de muren. Is de toren op een knooppunt gebouwd, dan gaat de energie voelbaar langs de wanden naar de torenspits. Is het altaar geplaatst op de kern, dan wordt het altaar opgeladen met etherische energie en verspreidt deze zich verder in het hele kerkgebouw, vooral in het gewelf.

Gewoonlijk verspreidt de energie zich dus in spiraalvorm, maar kan zich ook manifesteren in lichtgevende bollen. Bij deze ontwikkeling worden visioenen en ufo-verschijningen gezien.

De centrumkracht.


De ervaring van de schrijver is dat een leylijn moeilijk waargenomen kan worden met de wichelroede. Waar de energie zich verenigt op een kruispunt van meerdere lijnen wordt de energie veel sterker. Verder lijkt ook de maan van invloed te zijn; bij volle maan is de uitstraling aanmerkelijk sterker dan bij nieuwe maan. Het waarneembare centrum is in feite de uitstraling van de kern van het knooppunt. De kern heeft een doorsnede van drie tot tien meter.

De ervaring van de schrijver is dat hij de kern voelt doordat er een lichte duizeling optreedt, en hij het gevoel krijgt losser van de grond te komen, 'opgetild' te worden als het ware. Ook is er een neiging tot dagdromen. De ervaringen zijn natuurlijk persoonlijk, en kunnen individueel sterk verschillen.

Opvallend is dat op knooppunten in de bossen vaak minder, of helemaal geen bomen staan, en er een groen 'wollig' gras groeit.

Soms treedt er op de kern een negatief gevoel op, soms zelfs de neiging tot misselijkheid opwekkend. Dan heeft er ter plaatse iets vreselijks plaatsgevonden, wat voorkomt op centra zoals bijvoorbeeld Norgerholt, Vries, en Hellendoorn. De oorzaak hiervan is dat, volgens paranormale waarneming, de mensen die trouw bleven aan het oude geloof door het rooms-katholieke gezag veroordeeld en met bijlen afgeslacht werden, juist op de voor hen heilige plaats.

Gezondheid en ziekte.

Bedevaartsoorden liggen vrijwel zonder uitzondering op sterke leycentra. Dit fenomeen geeft de band aan tussen de zogenaamde bovennatuurlijke verschijning van de Heilige Maagd en de kracht van de aardse etherische energie. Het visioen ter plaatse vloeit voort uit de dagdromerij. De 'verschijning' is geen wonder, maar is met onze kennis verklaarbaar.

Het gaat om de vraag welke invloeden er van een leycentrum uitgaan. Zijn het genezende krachten? Zonder twijfel, al weten we niet hoe dit in zijn werk gaat.

Dit in tegenstelling tot de zogenaamde 'aardstralen' die eerder met het magnetische veld van de aarde te maken hebben, en ziekteverwekkend kunnen zijn.

Lichten en visioenen.

In de kloosterkroniek van de abdij van het Groninger Aduard is te lezen dat het klooster op die plaats werd gebouwd omdat er zoveel 'lichten' werden gezien, en Aduard is niet de enige plaats met een dergelijke vermelding.

Bekend zijn vooral de lichten van Fatima, het Portugese bedevaartsoord, waar in 1917 kinderen een groot licht zagen en daarna de verschijning van de Heilige Maagd. Na hen hebben tienduizenden de lichten gezien. Dit oord is een sterk leycentrum. Ook zijn er foto's gemaakt die boven de grond, rondom de mensen en zelfs daarboven doorzichtige bollen laten zien. De mensen die zich in een dergelijke lichtbol bevinden, krijgen het gevoel dat zij zweven of dromen en ervaren een religieuze beleving. Wellicht omdat zij het verwachten, zien zij dan Onze Lieve Vrouw.

Ook in Lourdes is sprake van dergelijke lichtverschijnselen en visioenen van de Heilige Maagd. In 1861 ontdekte de archeoloog Alfons Milne-Edwards een hele reeks kleine kunstzinnige voorwerpen in de grot van Lourdes, die al meer dan tienduizend jaar oud waren en er op wezen dat hier de Moedergodin werd vereerd. Dit centrum van tweeëntwintig of meer kerklijnen was duizenden jaren geleden ook al een heiligdom, toen ter ere van de Moedergodin, nu van Onze Lieve Vrouw.

We hebben hier al drie meldingen van 'geheimzinnige' lichten, die door de rooms-katholieke kerk zeer serieus zijn genomen. Dat deze lichten met leycentra te maken hebben lijkt een feit.

Mummificering in grafkelders

In Nederland is op drie plaatsen sprake van mummificering. Het meest bekend is Wieuwerd, waar de lijken bijna geheel zijn geconserveerd. De andere plaatsen zijn Almen en Tholen. In beide laatste gevallen is niet veel meer van de mummies over, dank zij de blootstelling aan een andere atmosfeer dan ter plaatse aanwezig was.

Onderzoekers hebben een bepaalde luchtstroom verantwoordelijk gesteld voor het niet-ontbinden van de lichamen. Eigenlijk een vreemde conclusie, daar de kleding wel verdween!

Het gaat hier in alle drie de gevallen om sterke centra met respectievelijk 220, 440 en 320 meter doorsnede. Toch is het niet zo dat op elk sterker centrum een dergelijke mummificering plaatsvindt. Het lijkt erop dat we te maken hebben met centra waar een speciale eigenschap aanwezig is. Er wordt in zulke gevallen gedacht aan bepaalde astrologische invloeden, maar verklaard is dit fenomeen nog niet.

Krachtplaatsen hergebruiken

Paragnost Dick van der Dool pleit er voor om bewuster en met meer verantwoordelijkheidsgevoel om te gaan met ons heilige erfgoed. In deze tijd waarin men een maximum aan bevolkingsdichtheid en een belasting en vervuiling van de aarde heeft bereikt, en onderdrukte emoties en negatief angstdenken de 'etherische atmosfeer' vervuilen, is een doorbreking van deze spiraal levensnoodzakelijk.

Er is veel te leren van omgangsvormen van de oude culturen die hun toewijding en gelijkwaardig respect met aarde en kosmos uitten in rituelen of ceremoniën, waar door eenvoudige offergaven en door bezinning en dankgebed uiting werd gegeven aan hun doorvoelde liefdesband.

In deze tijd waarin zovelen in een nieuwe tijdssfeer zich persoonlijk ontwikkelen en transformeren, wil hij oproepen tot een meer mede-samenleven met aarde en kosmos. Suggesties om dit praktisch toe te passen zijn bijvoorbeeld:
  • Het individueel of in groepsverband mediteren of bidden op dergelijke plaatsen, of eenvoudig daar-zijn met een positieve instelling van dankbaarheid, liefde en licht. 
  • het adopteren van een of meerdere plaatsen door nieuwetijdscentra of groepen of individuen die er voor zorgen dat de plaatsen schoon en vrij van bebouwing blijven. 
  • het opnieuw markeren door een boom, steen, of zelfs een bloemen border te plaatsen. 
  • het zoeken van genezing bij lichamelijke, emotionele of mentale klachten. 
  • het 'etherisch reinigen' van centra die minder goed aanvoelen. 
  • het houden van ceremoniën op hoogtijdagen van zon en maan of op andere astrologische constellaties. 
Wie weet hoe het er over vijftig of honderd jaar uit gaat zien. Misschien staan dan op de plaatsen waar nu de kerken staan de toekomstige nieuwe tijdscentra waar, gebruikmakend van de aardse en kosmische energie, transformatie van het menszijn kan plaatsvinden. Is dit overigens niet het wezen van religie?

Conclusie.

Het onderzoek geeft een duidelijke aanwijzing dat de mens eeuwenlang het goddelijke zocht en vond in de spiralen van de leycentra, op de heilige en mysterieuze plaatsen. In de etherische energie was het heilige en kosmische en van daaruit ontstond de religieuze beleving. Daar bouwde hij de megalitische bouwwerken, de piramiden, de tempels en tot 1350 de kerken. Daar zocht en vond hij God!

Bron: www.knuthuus.com